Mangogeelwortel

De mangogeelwortel (Curcuma amada) is een hier vrijwel onbekende soort uit de gemberfamilie (Zingiberaceae). Deze plant combineert het uiterlijk van gember met een verrassend aroma van rauwe, onrijpe mango. In India en Zuidoost-Azië staat hij bekend als amba haldi ofwel 'mango-gember' en wordt hij zowel in de keuken als in de traditionele geneeskunst gewaardeerd.
Botanisch gezien is de mangogeelwortel een meerjarige, kruidachtige plant die 60 tot 120 centimeter hoog kan worden. De plant vormt een pseudostam uit lange, lancetvormige bladeren die in bundels groeien. Onder de grond zitten vlezige, vaal geelkleurige wortelstokken (rhizomen) van 5 tot 10 centimeter lang en 2 tot 5 centimeter dik. Van binnen zijn ze lichtgeel en bij doorsnijding verspreiden ze een intense, fruitige geur die sterk aan groene mango doet denken. De bloemen verschijnen in een kegelvormige spike met bleke tot roze schutbladeren en witte tot lichtgele bloemetjes. Hij gedijt in goed doorlatende, vruchtbare bodem bij temperaturen tussen 20 en 35°C. De plant is echter vaak steriel en wordt voornamelijk vegetatief vermeerderd.

In tegenstelling tot gewone gember ontbreekt de scherpe, hete smaak. Het aroma is een stuk milder, zoetig en zelfs wat bloemig.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Curcuma, is uiteindelijk afkomstig uit het Sanskriet, waar kuṅkuma 'kurkuma' betekende. Het is verwant aan het Oudgriekse krókos (κρόκος), wat 'krokus' of 'saffraan' betekende, maar veel eerder in de historie 'bruinachtig geel' als betekenis had. Dat maakt direct ook de oorsprong van het woord 'krokodil' duidelijk[1]. Het tweede deel, amada, is geleend uit het Indiaas, waar amaada 'mango' betekent.

De oorsprong van de mangogeelwortel is te vinden in India, Bangladesh, Myanmar en Thailand. Vandaar is hij verspreid naar tropische regio’s in Azië, Afrika en Australië.
In de Aziatische culinaire wereld is mangogeelwortel een geliefd ingrediënt. De wortelstokken worden vers of gedroogd gebruikt in pickles, chutneys, curries en salades. Vooral in Zuid-India zijn mango-gemberpickles populair, terwijl het in Noord-India chutneys verrijkt. De milde, fruitige smaak maakt hem geschikt voor zowel zoete als hartige gerechten en als mild specerij in plaats van pittige gember. Ook in de parfumindustrie wordt het kenmerkende aroma gewaardeerd.

Traditioneel speelt de mangogeelwortel een belangrijke rol in de Ayurvedische en Unani-geneeskunst (lees: geen geneeskunde). Hij geldt als eetlustverbeteraar, plasopwekker, slijmophoester, darmontstopper en geslachtsdriftstimulant (ik benoem hier maar niet de medische termen). De gedroogde wortelstok wordt ingezet bij spijsverteringsklachten, astma, bronchitis, huidproblemen, koorts en ontstekingen.

Moderne onderzoeken bevestigen de aanwezigheid bioactieve stoffen, zoals curcuminoiden, essentiële oliën en terpenoiden (onder andere amadaldehyde), die wat antioxidante, antibacteriële en ontstekingsremmende eigenschappen bezitten.

[1] Martin Bernal: Black Athena: The Afroasiatic Roots of Classical Civilization: Volume III: The Linguistic Evidence - 2006